In Flux : American Jewelry and the Counterculture, boekbespreking

In Flux : American Jewelry and the Counterculture, boekomslag, 2020, J. Fred Woell, The Good Guys, 1966, hanger, hout, staal, koper, kunststof, zilver
In Flux : American Jewelry and the Counterculture, boekomslag, 2020, J. Fred Woell, The Good Guys, 1966, hanger, hout, staal, koper, kunststof, zilver
In Flux : American Jewelry and the Counterculture, boekomslag, 2020. Foto met dank aan arnoldsche Art Publishers©

Juist vandaag verrassend actueel, de sociaal maatschappelijke ontwikkelingen in de Verenigde Staten in de jaren zestig en zeventig die worden beschreven in dit boek. Dik 50 jaar zijn we verder, maar als je dit leest realiseer je je dat er weinig is veranderd, ook al is er veel gebeurd. Rassenongelijkheid is niet alleen door de moord op George Floyd volop terug in het nieuws. Duidelijk is ook dat alleen een witte menigte het Capitool zonder daadkrachtig ingrijpen kan bestormen en bezetten. Geweld door de overheid wordt niet geschuwd en vooralsnog regeert de leugen. Deze publicatie gaat over discriminatie, emancipatie, oorlog, politiek, kunst én sieraden in Amerika. Het is een spannend boek en het leest als een trein.

In Flux : American Jewelry and the Counterculture beschrijft de tumultueuze ontwikkelingen die sieraadontwerpers en andere kunstenaars in de op velerlei fronten emancipatoire jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw doormaakten in de Verenigde Staten. Sieraadontwerpers werden -net als andere crafts people– op de kaart gezet en er kwam een geheel nieuwe infrastructuur met beurzen, galeries, opleidingen en winkels tot wasdom.

Op het eerste gezicht
Het boek is handzaam: je kunt het makkelijk meenemen, het is niet zwaar. De teksten zijn rijk geïllustreerd. De letters zijn wat aan de kleine kant. Psychedelische woest kronkelende marmerbaden op de schutbladen zuigen je op.

De publicatie begint met een introductie. Daarop volgen zes hoofdstukken en een conclusie. De teksten zijn vlot geschreven en lezen als een avontuur: de beschreven tijd leent zich daar bij uitstek voor: het is immers de periode waarin veel (jonge) mensen zich vrij vochten, of, dood vochten in de Vietnamoorlog.

Na de Tweede Wereldoorlog namen de Amerikaanse crafts (de vertaling toegepaste kunst dekt de lading niet geheel) een hoge vlucht. Die ontwikkeling kwam vooral voort uit de bekrachtiging van de G.I. Bill, the Serviceman’s Readjustment Act in 1944. Deze wet voorzag in onder meer werkloosheidsvoorzieningen en onderwijs voor oorlogsveteranen. Miljoenen uit de Tweede Wereldoorlog teruggekeerde soldaten grepen deze kans zich op universitair niveau te scholen, waardoor nieuwe onderwijsinstellingen als paddestoelen uit de grond schoten. De vervaardiging van sieraden ging mee in deze stroom en zo kwam wat in de Verenigde Staten ook wel studio jewelry wordt genoemd, goed op stoom.

Buiten de toename van het aantal kunstopleidingen werd de infrastructuur voor kunstenaars eveneens gestimuleerd en uitgebreid door (nieuwe) tijdschriften, (nieuwe) kunstenaarsverenigingen en tentoonstellingsmogelijkheden in zowel musea als (nieuwe) galeries. Ook kwamen er steeds meer crafts markets en beurzen.

Sieraadontwerpers die na de Tweede Wereldoorlog werden opgeleid zetten zich af tegen bestaande tradities en oriënteerden zich op onder meer de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van de architectuur, beeldende kunsten en de tot bloei gekomen populaire cultuur. Individuele expressie werd zowel speerpunt als vanzelfsprekendheid.

De zestiger jaren in de Verenigde Staten was de tijd van de Koude Oorlog, de oorlog in Vietnam, emancipatie van mensen van kleur, vrouwen en andere dan heteroseksueel georiënteerde mensen. Ook raakte een deel van de bevolking zich steeds meer bewust van het verwoestende effect van het menselijk handelen op de planeet. Jonge mensen zetten zich af tegen de burgerlijkheid van hun ouders, die zich comfortabel hadden gevestigd in de nieuwe naoorlogse buitenwijken. Jongeren trokken juist naar de stad of zonderden zich af in autarkische communes. Ze gebruikten drugs en luisterden naar (psychedelische) rock. Deze mensen maakten deel uit van de counterculture (tegencultuur) en werden hippie’s genoemd. Dit boek beschrijft hoe Amerikaanse sieraadontwerpers zich verhielden tot de maatschappelijke ontwikkelingen op het gebied van cultuur, economie en politiek.

Het eerste hoofdstuk, Objects and Politics, behandelt de materiaalkeuze van sieraadontwerpers. Net als in andere kunstdisciplines werden op steeds grotere schaal (gevonden) voorwerpen, objets trouvés, en bestaande teksten of afbeeldingen in kunstwerken geïntegreerd. Fragmenten van foto’s en teksten uit kranten en tijdschriften brachten een nieuw element van werkelijkheid in sieraden. Er werd volop gewerkt en geëxperimenteerd met assemblages en collages.

De in 1961 door William C. Seitz gecureerde tentoonstelling in het Museum of Modern Art (MOMA) te New York (Verenigde Staten) The Art of Assemblage was een aanjager van het debat over assemblages en collages in de kunsten. Volgens Seitz had de taal van de assemblages zich ontwikkeld tot voertuig van de ideeën van de ongeduldige, anarchistische en hyperkritische kunstenaars. Een andere invloedrijke tentoonstelling (met bijbehorende publicatie) was de langs meer dan 30 locaties reizende expositie Objects: USA. De tentoonstelling die in zowel de Verenigde Staten als in Europa was te zien werd gecureerd door Lee Nordness en Paul Smith. Zo kwam het dat Amerikaanse crafts een geheel nieuw publiek bereikten. Op smakelijke wijze wordt in dit eerste hoofdstuk verteld over onder meer het leven van sieraadontwerper J. Fred Woell. Zijn persoonlijke ontmoeting met de componist John Cage (1912-1992) is hartverwarmend.

Making in the Counterculture, hoofdstuk 2, behandelt verschillende aspecten van de hippiecultuur. Sommige kunstenaars gebruikten drugs om zichzelf te bevrijden, anderen beoefenden yoga en stortten zich op gezonde voeding. Weer anderen legden zich toe op educatie. Nieuwe samenlevingsvormen ontstonden en er werd op velerlei fronten volop geëxperimenteerd. Ambities richtten zich niet langer uitsluitend op materiële welvaart: het spel werd belangrijker dan de knikkers en handwerk was een essentieel onderdeel in deze nieuwe individualistische artistieke levensfilosofie. Onderwijs vond plaats in verschillende teach-ins. Als protagonisten van deze ontwikkelingen worden in dit hoofdstuk onder anderen de levens van sieraadontwerpers Thomas Mann en Richard Wehrman beschreven.

In het derde hoofdstuk, Counterculture Jewelers, wordt uitgelegd hoe counterculture zich vlot kon verspreiden in de vorm van massaal toegankelijk geworden muziek, posters en tijdschriften. Ook wordt aangestipt dat de hippiecultuur ruime belangstelling heeft voor andere culturen dan de eigen. Verder wordt er een korte biografische schets gegeven van Lynda Watson, een sieraadontwerper die zich had vrijgevochten uit het conservatieve milieu van haar welgestelde ouders. Zij was wars van commercie en hield en droeg haar sieraden vooral zelf. Ook de levensbeschrijvingen van de sieraadontwerpers William Clark en Louis Mueller verdiepen het beeld van de hippiecultuur in de Verenigde Staten, waarin craft zich positioneerde tegenover het voortwoekerende consumentisme. Er werden vele craft fairs georganiseerd; er was onder anderen een op Woodstock in 1969. Beurzen, maar ook galeries en winkels voor toegepaste kunsten (crafts) schoten eind jaren zestig en in de loop van de jaren zeventig als paddestoelen uit de grond. De galerie van Helen Drutt in Philadelphia (Verenigde Staten) was een van de bekendste.

Door al deze nieuwe afzetmogelijkheden ontstonden vele vriendschappen tussen kunstenaars, kopers en galeriehouders. De galeriehouders boorden met hun activiteiten een nieuw publiek aan waardoor sieraadontwerpers meer werk verkochten en ze beter in hun levensonderhoud konden voorzien. Galeriehouders waren ook belangrijk op het educatieve vlak: ze informeerden potentiële kopers op verschillende manieren. Al deze ontwikkelingen versterkten elkaar en zo nam de professionalisering een steeds hogere vlucht.

Funk Jewelry, hoofdstuk 4, behandelt het ontstaan van de Beat Generation. Beschreven wordt hoe de bevriende dichters en schrijvers Allen Ginsberg (1926-1997), William Burroughs (1914-1997) en Jack Kerouac (1922-1969) een ander beeld schetsten van de Verenigde Staten dan de autoriteiten voor ogen stond. Het individu nam hierbij een centrale positie in. Absurditeit werd gekoesterd, net als spontaniteit en improvisatie. Er werden volop drugs gebruikt en er was grote belangstelling voor andere religies dan de christelijke. Er werd gemusiceerd (jazz) en vooral ook veel gereisd. De Beat Generation trok kunst en cultuur uit de traditionele instellingen als academie’s, musea en concertgebouwen en bracht het naar de straat, in winkels en in de cafés. Het epicentrum van de beweging bevond zich in de wijk Greenwich Village in New York (Verenigde Staten) en sieraadontwerpers als Art Smith en Sam Kramer waren eraan verwant. De beweging schoot ook wortel in San Francisco (Verenigde Staten). Omdat nu bijna alles kunst kon zijn, werd het materiaalgebruik door sieraadontwerpers diverser. Beat was vooral een East Coast verschijnsel. Aan de West Coast ontstond Funk met sieraadontwerpers als Merrily Tompkins en Ken Cory. Funk was in tegenstelling tot Beat beduidend minder academisch en elitair van karakter.

Hoe sieraadontwerpers in de Verenigde Staten zich verhielden tot de oorlogen waar de Verenigde Staten zich in de jaren zestig en zeventig in mengden wordt beschreven in het vijfde hoofdstuk: The Politics of American Jewelry. Jonge mannen waren bang te worden opgeroepen voor militaire dienst. De weerzin tegen de verschrikkingen van de oorlog werd gevoed door een immer aanzwellende stroom van angstaanjagende foto’s en getuigenverslagen op radio en televisie en in kranten en tijdschriften. Onder meer de artistieke reacties van Bruce Metcalf en Donald Paul Tompkins op Kent State massacre, een bloedbad aangericht door de Amerikaanse Nationale Garde onder ongewapende protesterende studenten worden besproken. Tijdens deze ongerechtvaardigde brute actie werden op 4 mei 1970 vier studenten gedood en raakten negen studenten gewond.

In dit hoofdstuk wordt eveneens beschreven hoe organisaties als American Craft Council (ACC) het levenslicht zagen. Dankzij de niet aflatende inzet van Aileen Osborn Webb ontstond deze belangenvereniging en ook is het Museum of Contemporary Crafts (MCC) in New York (Verenigde Staten) door onder meer haar inspanningen gerealiseerd. In 1969 werd ook Society of North American Goldsmiths (SNAG) opgericht: de eerste beroepsvereniging voor sieraadontwerpers in de Verenigde Staten. Pas later wordt duidelijk waarom de ontstaansgeschiedenissen van deze instituties in dit hoofdstuk zijn ondergebracht: politiek spel bleek ook onder verenigde sieraadontwerpers dagelijkse praktijk.

De oorlog in Vietnam kwam tot een einde in 1973. Niet lang daarna kwamen regerende politici in een kwaad daglicht te staan vanwege het Watergate schandaal en andere vormen van corruptie. Het wantrouwen in overheidsinstanties werd steeds omvangrijker. Sieraadontwerper Karen McCreary reageerde hierop met werk dat expliciet verwees naar bijvoorbeeld de nucleaire wapenwedloop.

Het zesde hoofdstuk, Civil Rights and Body Politics, behandelt de strijd voor gelijke rechten. Mensen met een andere dan witte huidskleur en vrouwen eisten steeds luider hun rechten op. Ze wilden dat bij wet kwam vast te liggen dat iedereen dezelfde rechten kreeg als de geprivilegeerde witte man. Onder meer sieraadontwerper Barry Merritt spande zich hiervoor in. Sieraadontwerper Harriete Estel Berman verzette zich tegen het alom gepropageerde beeld van de ideale huisvrouw en maakte daarbij volop gebruik van stereotypen uit de reclameindustrie.

De laatste pagina’s van het laatste hoofdstuk van het boek gaan over niet-witte sieraadontwerpers, hun werk en hun strijd tegen rassenongelijkheid. Die wereld was als gevolg van de voortdurende segregatie vrijwel volledig gescheiden van de witte kunstwereld. Dat het voor deze mensen nóg veel moeilijker was het hoofd boven water te houden behoeft amper betoog.

De vier hartverscheurende broches van Joyce J. Scott uit 1980 als reactie op Jonestown massacre in 1978 waarbij meer dan 900 mensen in een sekte door collectieve suïcidale vergiftiging (revolutionary suïcide) de dood in werden gejaagd besluiten het boek. Scott, wiens werk in zowel de niet-witte als de witte Amerikaanse wereld bekend is, is dan ook een uitzondering op de verder strikt gescheiden werelden. Dat geeft toch een sprankje hoop.

De conclusie, The End of an Era, waarin het lauwtjes gevierde tweehonderdjarig bestaan van de Verenigde Staten in 1976 kort wordt aangestipt beschrijft dat juist op dat moment nog eens pijnlijk duidelijk werd dat er helemaal niet een Amerika bestond. Het waren er tenminste twee: dat van een op alle fronten bevoorrechte witte bevolking en het Amerika van de mensen die niet tot de eerstgenoemde geprivilegeerden behoorden. De liegende overheid, de Vietnamoorlog en economische crises gaven een heel wat minder rooskleurig beeld van het machtigste land ter wereld. De counterculture doofde als een nachtkaars. Ondanks dat hebben sieraadontwerpers in de Verenigde Staten in de zestiger en zeventiger jaren wel een blijvende plaats weten te veroveren in de Amerikaanse beeldende kunsten.

Na een overzicht van wat ook te lezen als je meer wil weten over sieraden in de Verenigde Staten komt het notenapparaat en dan volgt nog een index: fijn! Dat zie je wat mij betreft veel te weinig in wetenschappelijke uitgaven over sieraden. Rest mij nog te melden: lezen, dit boek, het verdiept niet alleen je kennis van sieraden in de Verenigde Staten, maar ook je begrip van de Amerikaanse geschiedenis, de dominante cultuur en de actualiteit.

Tentoonstellingen (selectie)
1952 – Northwest Craftsmen’s Exhibition, Henry Art Gallery, University of Washington (Verenigde Staten)
1965 – Northwest Craftsmen’s Exhibition (gejureerd door Pat Maher of Everett, Mary Stephens Nelson)
1967 – Northwest Craftsmen’s Exhibition (gejureerd door John Paul Miller)
1969 – Objects: USA, Smithsonian Institution, Washington, Washington (Verenigde Staten) (oktober 1969 t/m) (gecureerd door Lee Nordness en Paul Smith, met Lynda Watson, J. Fred Woell)
1970 – Goldsmith ’70, Minnesota Museum of Art, St. Paul (Verenigde Staten) (maart 1970 t/m 1970) (Hans Christensen, Robert Ebendorf, Philip Fike, Arline Fisch, Michael Jerry, L. Brent Kington, David LaPLantz, Stanley Lechtzin, Richard Mawdsley, Ron McNeish, Philip Morton, Ron Pearson, John Prip, Olaf Skoogfors, J. Fred Woell)
1973 – Northwest Craftsmen’s Exhibition (Verenigde Staten) Pencil Brothers, Merrily Tompkins)
1975 – Symbolism and Imagery, Central Washington University, Ellensburg (Washington, Verenigde Staten) (Richard Mawdsley, Pencil Brothers, Donald Paul Tompkins, Merrily Tompkins, J. Fred Woell)

Dit artikel verscheen eerder (21 januari 2021) op ModeMuze en SieradenMuze.

Bibliografie
Cummins, S., Skinner, D. en Strauss, C. (2020) In Flux: American Jewelry and the Counterculture. Stuttgart: arnoldsche Art Publishers. ISBN 3897905973
Doornbusch, E. (19 januari 2021) In Flux:  Is er iets veranderd in de Verenigde Staten? SieradenMuze.

Links
• Wikidata

Donaties
Deze website heeft geen commercieel doel en is op persoonlijk initiatief, onafhankelijk en geheel op vrijwillige basis met minimale middelen tot stand gekomen. Wilt u dat steunen met een gift? Dat kan! U kunt uw bijdrage overmaken naar: NL27 TRIO 0781 5140 02 ten name van E. Doornbusch te Amsterdam onder vermelding van hedendaagse sieraden, ook kunt u doneren via paypal.me/hedendaagsesieraden. Giften zullen worden aangewend voor onderhoud en verbetering van de website.

Duurzaam verwijzen naar deze pagina? Gebruik dan deze link: https://hedendaagsesieraden.nl/2021/01/25/in-flux-american-jewelry-and-the-counterculture-boekbespreking/

Geef een reactie